null Levenslang levensvatbaar?

Levenslang levensvatbaar?

Webcolumn Rechtswetenschappen - door Wilma Dreissen - juni 2016

In de zaak James Murray t. Nederland oordeelde de Grote Kamer van het Europees Hof voor de rechten van de mens op 26 april 2016 dat het Koninkrijk der Nederlanden art. 3 EVRM (het verbod van marteling en onmenselijke en vernederende behandeling) had geschonden. Het feit dat een op Curaçao tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde effectief geen enkel uitzicht op vervroegde vrijlating had, moet naar het oordeel van het EHRM als een onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM worden gekwalificeerd.

In een eerdere uitspraak (De Vinter t. het Verenigd Koninkrijk) had het EHRM reeds geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf zelf weliswaar niet in strijd is met artikel 3 EVRM, maar dat het ontbreken van een effectieve mogelijkheid om vervroegde vrijlating te verzoeken dat wel kan zijn. Het onderliggende idee daarbij is dat de penologische redenen (vergelding, speciale en generale preventie) die ten grondslag hebben gelegen aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf na verloop van tijd kunnen komen te vervallen. Dat betekent ten eerste dat de veroordeelde in de gelegenheid moet worden gesteld om zich te rehabiliteren. Ten tweede moet de veroordeelde een procedure ter beschikking staan waarin hij om vervroegde vrijlating kan verzoeken.

In de zaak van James Murray is door het EHRM vastgesteld dat een effectieve mogelijkheid om zich te rehabiliteren nooit aanwezig is geweest. Murray werd in 1980 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf nadat bewezen was verklaard dat hij een 6-jarig meisje had vermoord. Tijdens de behandeling van zijn strafzaak typeerde een deskundige Murray als 'een debiele, infantiele, en narcistische jongeman met een ernstig psychopatiform gestoorde karakterstructuur'. Tbs werd echter niet opgelegd omdat het Wetboek van Strafrecht van Curaçao ten tijde van de veroordeling deze sanctiemogelijkheid niet kende. In plaats daarvan werd Murray veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf opdat de kans op recidive tot nul zou worden gereduceerd.

Murray bracht vervolgens 33 jaar door in de gevangenissen van Curaçao en Aruba. Beide penitentiaire inrichtingen hebben nauwelijks, respectievelijk geen, voorzieningen voor psychiatrische patiënten. Gedurende zijn detentie is James Murray nooit behandeld voor zijn psychiatrische aandoeningen. En zijn 13 verzoeken om gratie werden allemaal afgewezen, omdat het gevaar van recidive nog niet geweken was. Hetgeen niet verwonderlijk is gezien het gebrek aan behandeling. Pas op 31 maart 2014 werd James Murray alsnog gratie verleend: hij leed aan kanker en zou niet lang meer te leven hebben. Op 26 november 2014 overleed hij op 61-jarige leeftijd.

Ook het tweede aspect verbonden aan de levenslange gevangenisstraf, namelijk de mogelijkheid om te verzoeken om vervroegde vrijlating, speelde een rol in de zaak Murray. Tot november 2011 was zowel in Nederland als in de Nederlandse Antillen die mogelijkheid beperkt tot een verzoek om gratie gericht aan de minister respectievelijk de gouverneur.

Het is zeer twijfelachtig of de gratieregeling voldoet aan de eisen die het EHRM stelt aan de mogelijkheid tot 'review' van de levenslange gevangenisstraf. Die mogelijkheid tot vervroegde vrijlating moet niet alleen 'de jure' maar ook 'de facto' bestaan en de criteria waaraan een dergelijk verzoek wordt getoetst moeten van de te voren bekend zijn 'to the extent necessary for the prisoner to know what he or she must do to be considered for release and under what conditions'.

Een reviewsysteem waarin enkel om humanitaire redenen gratie kan worden verleend is niet voldoende. Hoogst twijfelachtig is of de huidige gratieregeling van Nederland voldoet. Temeer omdat het EHRM laat weten dat voor de vraag in hoeverre 'de facto' strafvermindering een optie is statistische informatie relevant kan zijn. Als dat in ogenschouw wordt genomen, dan moet ernstig getwijfeld worden aan de houdbaarheid van de Nederlandse regeling in het licht van art. 3 EVRM. In de periode van 2004 tot 2014 is slechts één verzoek tot gratie van een tot levenslang veroordeelde gehonoreerd en dat betrof een verzoek van ongeneeslijk zieke gedetineerde, zo blijkt uit de beantwoording van Kamervragen door de Staatssecretaris.

In de Nederlandse Antillen heeft men niet willen wachten op een veroordeling door het EHRM en had men reeds in november 2011 stappen ondernomen; in art. 1:30 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao is een periodiek beoordelingssysteem voor levenslanggestraften opgenomen. Na tenuitvoerlegging van 20 jaar van de levenslange gevangenisstraf beoordeelt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. Het is het bestaan van deze regeling die maakte dat de 3e kamer van het EHRM in de zaak Murray in eerste instantie oordeelde dat art. 3 EVRM niet geschonden was.

In Nederland heeft staatssecretaris Dijkhoff onlangs aangekondigd dat hij de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf zal aanpassen. Er wordt niet een wetswijziging voorgesteld, maar een zogeheten 'beleidswijziging'. Die wijziging houdt in dat na tenuitvoerlegging van 25 jaar van de straf door de staatssecretaris – na advies van een niet-rechterlijke commissie - zal worden bezien of de veroordeelde in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie. Het gaat dus (nog) niet om een procedure waarbij de vermindering van de levenslange gevangenisstraf aan de orde is. Of die aanpassing 'Straatsburg-proof' is, valt nog te bezien.

Duidelijk is wel dat het de staatssecretaris daar niet om te doen is. In een uitzending van Nieuwsuur (donderdag 2 juni jongstleden) gaf hij aan dat niet zozeer de uitspraken van het EHRM hem er toe brachten om aanpassingen voor te stellen, maar wel het feit dat deze uitspraken de Rechtbank Noord Nederland ertoe heeft gebracht om geen levenslang meer op te leggen. Wat de staatssecretaris betreft 'blijven gruwelijk moordenaars zo lang mogelijk vast zitten'. Het idee dat ook gruwelijke moordenaars burgers blijven en dat zij als zodanig na verloop van tijd recht hebben op perspectief op vrijlating, zoals het uitgangspunt is van het EHRM, wordt kennelijk niet gedeeld door de staatssecretaris.

* Wilma Dreissen is universitair hoofddocent Straf- en strafprocesrecht



Meer webcolumns